Bereken de inverse van ( A = \beginpmatrix 2 & 5 \ 1 & 3 \endpmatrix ) en controleer door ( A \cdot A^-1 = I ).
You can use this for self-study, worksheets, or exam practice.
Aan de Slag met Matrices: Van Basisbewerkingen tot Complexe Oefeningen matrices oefeningen
(T(2,3)=(-3,2)); (T^2 = -I) → rotatie 180°
(Economie) Drie fabrieken produceren 2 producten. De productiematrix ( M ) (fabriek × product) en prijsvector ( P ) (product × prijs) zijn: [ M = \beginpmatrix 50 & 30 \ 20 & 40 \ 10 & 60 \endpmatrix, \quad P = \beginpmatrix 8 \ 12 \endpmatrix ] Bereken de totale omzet per fabriek. Bereken de inverse van ( A = \beginpmatrix
Gegeven matrices A en B: [ A = \beginpmatrix 1 & 2 \ 3 & 4 \endpmatrix ] [ B = \beginpmatrix 5 & 6 \ 7 & 8 \endpmatrix ]
[ AB = \beginpmatrix 1 5+2 7 & 1 6+2 8 \ 3 5+4 7 & 3 6+4 8 \endpmatrix = \beginpmatrix 19 & 22 \ 43 & 50 \endpmatrix ] De productiematrix ( M ) (fabriek × product)
Gegeven twee matrices A en B: [ A = \beginpmatrix 1 & 2 \ 3 & 4 \endpmatrix ] [ B = \beginpmatrix 5 & 6 \ 7 & 8 \endpmatrix ]
Een van de meest elementaire bewerkingen met matrices is het optellen en aftrekken van matrices. Om twee matrices op te tellen of af te trekken, moeten ze dezelfde afmetingen hebben.
$$A + B = \beginpmatrix 1+5 & 2+6 \ 3+7 & 4+8 \endpmatrix = \beginpmatrix 6 & 8 \ 10 & 12 \endpmatrix$$
Chúng tôi sẵn sàng hỗ trợ 24/7